|
Herkansing voor biobrandstof door hout en landbouwafval
|
Eerst waren ze verschrikkelijk goed voor de wereld en toen verschrikkelijk slecht, en nu beginnen ze weer een beetje goed te worden. Of op zijn minst: een noodzakelijk kwaad. Biobrandstoffen komen voorzichtig uit het verdomhoekje tevoorschijn.
En dus durfde het Platform Groene Grondstoffen donderdag een rapport uit te brengen waarin het belang van biobrandstoffen en biomaterialen voor de Nederlandse economie wordt uitgerekend. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht en het Landbouwkundig Economisch Instituut van de Universiteit Wageningen kwamen tot de conclusie dat Nederland er over twintig jaar een leuke zakcent aan kan overhouden: 7 miljard euro per jaar, als het goed wordt aangepakt.
‘Het geeft aan dat biobrandstoffen deel kunnen uitmaken van een soort Green New Deal op de lange termijn’, zegt hoogleraar André Faaij, een van de auteurs.
Het is nieuws dat de sector (tevens opdrachtgever van het rapport) goed kan gebruiken. Op dit moment zit hij in zwaar weer. Een aantal fabrieken staat stil, een aantal is al gesloten. Door de lage olieprijs kunnen ze niet op tegen hun conventionele concurrenten, benzine en diesel.
Terwijl het zo rooskleurig begon, een paar jaar geleden. Door de stijgende olieprijs werd het steeds aantrekkelijker diesel te maken uit koolzaad of palmolie, en ethanol (vervanger voor benzine) uit maïs, tarwe of rietsuiker. De brandstoffen leken nul effect te hebben op het klimaat: omdat de planten tijdens hun groei CO2 uit de lucht hadden gehaald, zou de verbranding ervan per saldo het broeikaseffect niet versterken.
Volgens de Europese Unie moest in 2020 10 procent van de benzine en diesel bij de pomp biologisch zijn. Rotterdam zou bij de productie een sleutelrol vervullen met zeker zeven fabrieken.
Toen kwam de kentering. Door het gebruik van landbouwgewassen voor brandstof stegen de voedselprijzen. Bovendien bleken biobrandstoffen niet zo klimaatneutraal als gehoopt. De winst ten opzichte van conventionele brandstoffen is soms maar 30 procent.
De OESO concludeerde vorig jaar dat deze eerste generatie biobrandstoffen ‘duur en zinloos’ is. Van de zeven Rotterdamse fabrieken gingen er vier niet door.
De hoop van Faaij is gevestigd op de tweede generatie biobrandstoffen, die gemaakt worden uit hout en landbouwafval – geen voedsel dus, maar een bijproduct ervan. De techniek is wel veel complexer, omdat de houtachtige vezels eerst in kleinere suikermoleculen moeten worden gebroken, voor er ethanol van kan worden gemaakt.
Shell, dat twee weken geleden aankondigde voor zijn groene toekomst vooral op biobrandstoffen te willen inzetten, heeft belangen in een aantal (buitenlandse) biotechbedrijven die het proces onder de knie proberen te krijgen. In Nederland heeft alcoholproducent Nedalco een procedé ontwikkeld om de houtvezels af te breken met behulp van een schimmel uit olifantenpoep.
Maar het zijn nog experimenten. Nedalco heeft de bouw van een proeffabriek uitgesteld vanwege gebrek aan overheidssteun. Shell schat dat de massale invoer van tweedegeneratie-biobrandstoffen nog zeker tien jaar op zich laat wachten.
Heeft het zin om in de tussentijd met eerstegeneratie-biobrandstoffen te beginnen? Soms wel, soms niet, volgens Faaij. De toekomstige biodiesels zullen heel anders worden geproduceerd – dus dan heb je niet veel aan investeringen nu. Wel zullen fabrieken aangepast kunnen worden aan de tweedegeneratie-processen, denkt hij.
Het Rotterdamse Havenbedrijf ziet hoe dan ook economische redenen om in de eerste generatie brandstoffen te stappen. ‘Je moet nu al een positie veroveren op de markt, dan kun je niet wachten op de tweede generatie’, zegt een woordvoerder. ‘Bovendien moet je nu geld verdienen om die toekomstige brandstoffen te ontwikkelen.’
|