|
Waarom mestvergisting?
(Co-)vergisting van mest wordt doorgaans
toegepast voor de volgende doelen:
- energetische inzet en een milieuvriendelijke verwerking van bioglogisch afval en reststoffen
- verbetering van de bemestingswaarde van gier
- vermindering van stankemissie bij het uitrijden van gier
- verminderen milieubelasting
Wat is mestvergisting?
Door vergisting van mest en co-producten
ontstaat biogas dat in een warmtekrachtinstallatie (WKK-installatie) wordt
omgezet in warmte en elektriciteit. De warmte wordt gedeeltelijk benut om de
vergister op temperatuur te houden. De overschot aan warmte kan bijvoorbeeld
worden gebruikt voor ruimteverwarming. De elektriciteit kan gedeeltelijk door
het eigen bedrijf worden benut, het overige deel kan als duurzame elektriciteit
worden verkocht aan het energiebedrijf. De vergiste mest kan op het land worden
uitgereden of verder worden verwerkt tot specifieke meststoffen.
Voor vergistingsprocessen wordt in de meeste
gevallen dunne mest afkomstig van varkens en/of runderen gebruikt. In het geval
van co-vergisting worden daar organische stoffen aan toegevoegd die de
productie van biogas sterk doen toenemen.
(Co-)vergisting wordt op verschillende
schaalgroottes toegepast. Het kan op boerderijniveau plaatsvinden waarbij
bijvoorbeeld mest uit het eigen bedrijf wordt vergist en organisch materiaal
uit het eigen bedrijf wordt toegevoegd aan het vergistingproces. Het andere
uiterste betreft grote centrale mestvergistingsinstallaties met
verwerkingscapaciteiten van meer dan 100.000 m³/jaar. In dergelijke gevallen zal
mest van meerdere agrarische bedrijven worden aangevoerd en kan ook het
organische co-vergistingsmateriaal door verschillende partijen worden
aangeleverd. Een tussenvorm ontstaat wanneer een aantal boeren die in elkaars
nabijheid zijn gevestigd samen besluiten een gezamenlijke
vergistingsinstallatie op te richten. De vergistingsinstallatie wordt in dat
geval meestal opgericht bij één van de deelnemende boeren. De schaalgrootte
waarop de mestverwerking plaatsvindt, is van invloed op de regulering op het gebied
van de ruimtelijke ordening en het milieu.
Het vergistingsproces
Vergisten heeft tot doel organische stof met
behulp van micro-organismen om te zetten in biogas. Een andere term die
gebruikt wordt voor vergisten is fermenteren. In het algemeen zijn alle soorten
mest en organische reststoffen geschikt voor vergisting. Het proces vindt
plaats in afwezigheid van zuurstof (anaëroob).
Biogas bestaat uit een mengsel van
voornamelijk methaan (55-65%) en kooldioxide (35-40%). Verder is het verzadigd
met waterdamp en bevat het sporen van waterstof , zwavelwaterstof en ammoniak
. Biogas is een brandstof die geschikt is voor verbranding in vrijwel alle
verbrandings-installaties waarin ook aardgas kan worden verbrand. De
installaties dienen wel aangepast/afgesteld te worden op het gebruik van
laagcalorisch gas. Doorgaans wordt biogas verstookt in een
warmtekrachtinstallatie, waarbij elektriciteit en warm water worden
geproduceerd. Bij vergisting worden alleen eenvoudig afbreekbare organische
stoffen afgebroken. De moeilijk afbreekbare organische stoffen zoals houtige
plantendelen, blijven in de mest aanwezig.
Biogas heeft een lage energiedichtheid. Om
die reden is de opslagcapaciteit van het biogas doorgaans beperkt tot de
productie van enkele uren. Omdat biogas corrosief is, moeten zwavelwaterstof
en, in mindere mate, ammoniak worden verwijderd.
Voor de productiesnelheid van biogas zijn
diverse factoren van belang, waaronder de temperatuur, de zuurgraad, de
koolstof/stikstofverhouding, het drogestofgehalte en de verblijftijd. Er kan
een onderscheid gemaakt worden tussen psychrofiele (0-20°C), mesofiele
(20-45°C) en thermofiele (45-75°C) vergisting. Bij hogere temperaturen verloopt
het vergistingsproces sneller waardoor er meer biogas in een kortere tijd
vrijkomt. Tevens moet er meer warmte worden toegevoerd. Psychrofiele vergisting
treedt spontaan op bij gewone mestopslag. In Nederland werken
mestvergistingsinstallaties meestal in de mesofiele zone.
Mestvergistingsinstallaties kunnen in vele
vormen worden uitgevoerd, van eenvoudig geroerde tanks tot geavanceerde
vergisters. De keuze tussen de verschillende mogelijkheden wordt gemaakt op
basis van robuustheid, kosten en opbrengsten en de gestelde eisen aan
biogaskwaliteit, gashoeveelheid of mate van afbraak van organische stof. Bij
mestvergisting op boerderijschaal wordt meestal een volledig geroerde vergister
toegepast.
Onderdelen
van een mestvergistingsinstallatie
De belangrijkste onderdelen van een
mestvergistingsinstallatie zijn:
- vooropslag
- mestvergister
- biogasopvang
- overdrukbeveiliging
- warmtekrachtinstallatie
- naopslag
- extra voorzieningen t.b.v. mestscheiding
Vooropslag
Voorafgaand aan de vergisting kan de ruwe
mest worden opgeslagen. De mest kan ook rechtstreeks in de vergister worden
gepompt. Langdurige vooropslag moet worden vermeden omdat dit ten koste gaat
van de biogasopbrengst in de vergistingstank. De meest gangbare manieren van
opslag zijn (combinaties van) kelders, silo's, containers, bassins en
mestzakken. Mestzakken en containers kunnen alleen gebruikt worden bij kleine
hoeveelheden mest. Bij de bouw van een nieuwe vergistingstank wordt het
bestaande mestopvangsysteem meestal gebruikt voor de vooropslag.
Mestvergister en biogasopvang
De vergister is in principe een gasdichte,
geïsoleerde, verwarmde en geroerde tank, waarin het biogas uit de biomassa
wordt gewonnen. Aanvoer van mest en afvoer van digestaat (vergiste mest)
verlopen in principe gelijktijdig en in gelijkblijvende hoeveelheden. In de
wand van de vergister is een warmtewisselaar geplaatst waarmee een gedeelte
van de warmte van de gasmotor wordt overgedragen aan de mest om deze op
temperatuur te houden. De mest wordt op gezette tijden geroerd. Het biogas
wordt opgevangen in een gasopslag die zich boven de mestvergister bevindt of in
een separate gasopvang. Bij grote mestvergistingsinstallaties wordt soms en
na-vergister geplaatst. In de na-vergister komen de laatste resten biogas uit
de mest vrij. Het gas uit de eerste vergistingstank wordt via de
na-vergistingstank (en eventueel via de separate biogasopvang) naar de
warmtekrachtinstallatie gevoerd.
De mestvergister bestaat uit de volgende
componenten:
Vergistingstank.
Een vergistingstank bestaat uit een betonnen
of metalen (geëmailleerde) silo zoals die veelal voor de opslag van mest wordt
gebruikt. De tank is goed geïsoleerd om het warmteverlies te beperken. Hoewel
de afmetingen veelal niet optimaal zijn voor vergisting, wordt uit
kostenoverwegingen vaak een bestaande mestsilo omgebouwd tot vergister. Silo's
voor de vergisting dienen gasdicht afgedekt te worden. Voor de afdekking kan
gekozen worden voor een vast dak of een folie. De afdekking kan hangend in de
vergister geplaatst worden, boven de vergistende massa. De uitvoeringsvorm voor
een externe gasopslag naast de vergister is bijna altijd een gaszak (gaskussen
of gasballon).
Mengsysteem.
Een mengsysteem (roerwerk) zorgt voor een
gelijkmatige temperatuurverdeling binnen de vergister, een goede menging van de
mest, het voorkomen van drijf- en bezinklagen en het tegengaan van het ontstaan
van schuimlagen (het ontgassen van de biomassa). Er is een scala aan technische
uitvoeringsvormen voor een roerwerk. De meest eenvoudige typen zijn een
verticale peddel, een (versnijdende) radiaalpomp, een dompelpomp of een
hydraulisch systeem.
Verwarmingssysteem.
Het verwarmingssysteem (wandverwarming en/of bodemverwarming)
dient om de mest op de optimale temperatuur voor het vergistingsproces te
houden. Het bestaat uit een warmtewisselaar, warmwaterleidingen, een waterpomp
en een warmtebron.
Mestpompen.
Mestpompen worden gebruikt om het substraat
(ruwe mest) de vergister in en het digestaat (vergiste mest) de vergister uit
te pompen. Om zoveel mogelijk bezinkende mestdeeltjes te verwijderen wordt de
afvoerbuis nabij de bodem van de vergister bevestigd. Indien het reeds
aanwezige opslagsysteem als vergistingstank wordt gebruikt volstaan de
bestaande mestpompen voor aan- en afvoer.
Gasbehandeling.
Het biogas bevat naast methaan en kooldioxide
ook waterdamp en zwavelwaterstof . Het water condenseert bij afkoeling van het
gas en wordt in vloeibare vorm afgevoerd. Het corrosieve zwavelwaterstof wordt
veelal biologisch verwijderd. Bij beluchting van het biogas in de
vergistingstank tot een mengsel met enkele procenten zuurstof ontstaat een
reactie met zwaveloxiderende bacteriën in de mest. Het zwavelwaterstof reageert
hierbij tot elementair zwavel dat als vaste stof neerslaat in het digestaat.
Het toevoegen van lucht aan een brandstof kan leiden tot een explosief mengsel.
Bij biogas moet sprake zijn van een verdunning van 90 tot 95% lucht om tot een
explosief mengsel te komen. De biologische ontzwaveling brengt een hoeveelheid
lucht in het biogas die ongeveer 180 maal te klein is om dit te veroorzaken.
(Om 100 m 3 biogas te reinigen is zo'n 5 m 3 ontzwavelingslucht nodig, om een
explosief mengsel te vormen moet in plaats van 5 m 3 zo'n 900 m 3 lucht worden
toegevoegd.)
Overdrukbeveiliging
Overdruk kan optreden indien de gasopvang
volledig gevuld is en het niet mogelijk is al het biogas te benutten in de
gasmotor. Als de gasmotor bijvoorbeeld uitvalt, blijft de productie van biogas
een tijd doorgaan, ook als de vergister wordt stopgezet. Het is daarom nodig
overdrukbeveiliging toe te passen. Dit kan door toepassing van een
overdrukventiel gevolgd door een afblaasinrichting of een fakkel.
Een overdrukventiel met een waterslot of een
gelijkwaardige voorziening blaast het biogas af wanneer een bepaalde druk wordt
bereikt. Het nadeel hiervan is dat er op dat moment een emissie van methaan
optreedt. Bij toepassing van een fakkel wordt het overtollige biogas verbrand
zodat geen biogas in de lucht wordt gebracht Een overdrukbeveiliging wordt
automatisch in werking gesteld en blijft in werking tot een acceptabel
drukniveau is bereikt.
Warmtekrachtinstallatie
Voor het omzetten van biogas in elektriciteit
en warmte wordt een warmtekrachtinstallatie (ofwel WKK-installatie) gebruikt,
bestaande uit een gasmotor om het biogas te verbranden en een generator voor
opwekking van elektriciteit. De gasmotor is van hetzelfde type als dat voor
aardgas wordt gebruikt, aangepast voor het verstoken van laagcalorisch gas.
De opgewekte elektriciteit kan worden ingezet
voor eigen gebruik op het bedrijf en/of worden teruggeleverd aan het openbare
net. Een deel van de warmte wordt gebruikt voor het opwarmen van ingaande mest
en het op temperatuur houden van de vergister. De overige warmte kan worden
aangewend voor het verwarmen van de stallen (vooral zeugen en vleeskuikens),
voor de bedrijfswoning, het verder verwerken van het digestaat of worden
aangeboden aan een derde bijvoorbeeld een glastuinbouwbedrijf.
Afhankelijk van de energiesituatie op het
bedrijf kan ook gekozen worden voor directe verbranding van het biogas in een
verwarmingsketel voor het produceren van warm water of stoom. Dit is echter
slechts in bijzondere gevallen economisch interessant, bijvoorbeeld wanneer de
vraag naar warmte zeer groot is, of waar een aansluiting op het aardgasnet
ontbreekt.
Naopslag
Naopslag van vergiste mest (digestaat) is in
de meeste gevallen nodig. De vergiste mest dient bijvoorbeeld opgeslagen te
worden gedurende de periode dat mest niet mag worden uitgereden (conform het
Besluit gebruik meststoffen). Naopslag is bijvoorbeeld ook nodig indien de
vergiste mest nog verder wordt bewerkt. Uitvoeringsvormen zijn een extra silo,
kelder, mestbassin of mestzak. De vergiste mest kan worden uitgereden op het
eigen land, verder worden verwerkt of worden afgezet op andere
landbouwbedrijven.
Optionele extra voorzieningen t.b.v.
bewerking van de vergiste mest
De vergiste mest kan direct worden toegepast
op het land, waarbij men uiteraard aan de geldende mestregelgeving moet
voldoen. Het is echter ook mogelijk de vergiste mest verder te bewerken.
Mestscheider
Een mestscheider heeft als doel het scheiden
van de vergiste mest in een dikke fractie en een dunne fractie. Met name de
vezelachtige organische stof en fosfaat hopen zich op in de dikke fractie. De
stikstof zit met name in de dunne fractie. De verschillende uitvoeringsvormen
van mestscheiders zijn grofweg te verdelen in mechanische en fysisch-chemische
scheidingsprocessen. Voorbeelden van mechanische scheidingstechnieken zijn
mestschuiven, (zeef)banden, vijzelpersen en trilzeven en decanters.
Strofilters, microfilters, decanteercentrifuges en bezinkinstallaties zijn
voorbeelden van fysisch-chemische scheidingstechnieken.
Vaste mestopslag
Dit is een voorziening voor het opslaan van
de dikke fractie tot deze aangewend wordt.
Tussenbuffer
Dit is een voorziening voor het opslaan van
de dunne fractie tot deze ingedampt wordt.
Indampinstallatie
Een indampinstallatie heeft als doel het
concentreren van dunne mest en het te ontdoen van biologische verontreinigingen
(vliegen-eitjes, ziektekiemen). Bij indampen wordt de gehele stroom dunne mest
verwarmd, waardoor het hierin aanwezige water verdampt. De waterdamp wordt
gecondenseerd door het door een condensator te leiden. Voor het indampen wordt
extern aangevoerde energie gebruikt.
|